Hoe weet een postduif de weg naar huis?
Hoe vindt een postduif, losgelaten op honderden kilometers van huis, toch feilloos de weg terug naar het eigen hok? Het is een vraag die onderzoekers al lang bezighoudt, en het antwoord blijkt uit meerdere stukjes te bestaan.
Een eerste deel van het antwoord is het magnetische kompas. In de snavel en de hersenen van de duif zitten kleine deeltjes die gevoelig zijn voor het magnetische veld van de aarde. Daarmee kan de duif noord van zuid onderscheiden, ongeveer zoals een kompasnaald dat doet. Zo weet het dier in welke richting het ongeveer moet vliegen.
Een tweede deel is de zon. Duiven gebruiken de stand van de zon als wijzer, en omdat hun innerlijke klok bijhoudt hoe laat het is, kunnen ze de zonnestand vertalen naar een richting. Op een bewolkte dag valt die hulp weg, en dan moeten de duiven het van andere aanwijzingen hebben.
Een derde deel is de reuk en het landschap. Eenmaal in de buurt van huis herkennen duiven geuren in de lucht en bekende herkenningspunten op de grond, zoals rivieren, wegen en gebouwen. Die fijne navigatie brengt ze de laatste kilometers precies bij het juiste hok. Jonge duiven moeten dit overigens eerst leren: tijdens hun eerste vluchten bouwen ze als het ware een kaart op van de omgeving rond hun thuis.
Het antwoord op de vraag luidt dus: een postduif combineert een magnetisch kompas, de stand van de zon en herkenning van geur en landschap. Pas door deze systemen samen te gebruiken, lukt het de duif om over grote afstand de weg naar huis terug te vinden. Geen enkel zintuig doet het werk alleen.